Pleidooi voor een geschoolde jeugdtrainer in de competitieve jeugdsport

Prof. Dr. Em. Y. Vanden Auweele

Lid Panathlon

Departement Humane Kinesiologie/KULeuven

Het hedendaags beeld van de sport is verre van flatterend. De sport lijkt haar onschuld en eer verloren te zijn. Of hoe moeten we anders de opeenstapeling van incidenten en kwalijke onthullingen interpreteren? Elke dag haalt tegenwoordig een of ander sportdrama, schandaal of beschamend gedrag de krant en dit niet alleen bij de volwassenen, maar ook in de competitieve jeugdsport. Er is het steeds verder uitdijend schandaal van seksueel misbruik in het Engels voetbal (zou dit misbruik trouwens stoppen aan de Belgische grens?). Er is het brutale gedrag van veel trainers met als iconisch voorbeeld de trainer in Oostende die zijn slechtst functionerende speler ‘LUL van de week’ om de nek laat ophangen. Er is het steeds meer voorkomende brullende en scheldende gedrag van de ouders aan de zijlijn en ook het brutale gedrag van jonge spelers tegenover elkaar en zelfs tegenover de scheidsrechter.

Alhoewel voor de enthousiaste sportliefhebber de grenzen van het aanvaardbare niet vlug worden bereikt, vinden de publieke opinie en in toenemende mate ook de sportverantwoordelijken dat een negeren, minimaliseren of bagatelliseren van deze praktijken niet meer te tolereren is.

Opvallend is dat we, bij overigens positieve ad hoc reacties op incidenten en corrigerende initiatieven, helemaal geen vergelijkingen maken met de bewegingsopvoeding en de sport op school waar de vermelde negatieve praktijken minder of geen kans maken. Hoe komt het dat we zo ongelijke standaarden voor vergelijkbare activiteiten in twee verschillende contexten gedogen? In vergelijking met de sport op school staan we in de competitieve jeugdsport inderdaad voor een ongerijmdheid en een paradox.

De ongerijmdheid ligt hierin dat ouders hun kinderen toevertrouwen aan sportclubs voor ‘meer’ uren sport dan ze krijgen op school en dit zonder dat ze de kwaliteitseisen stellen die ze aan een school wel stellen.

In de school moeten leerkrachten (terecht) een discipline-technisch én pedagogisch diploma kunnen voorleggen terwijl de meeste clubs draaien op goed menende maar meestal ongeschoolde vrijwilligers. Deze vrijwilligers steunen hun training veelal niet op wetenschappelijk ondersteunde vakkennis maar op ‘ervaring’ met de sporttechnische en sport-tactische elementen van hun sport. Wat de pedagogische kant betreft steunen de meeste trainers op intuïtie, goede wil en veel inzet.

Ik wil de toewijding en de inzet van de talrijke vrijwilligers niet onderwaarderen of de nood aan vrijwilligers miskennen. Veel sporten zouden gewoonweg verdwijnen indien het de vrijwilligers te moeilijk zou worden gemaakt. Omwille van de kinderen kan men zich echter dit schrijnend gebrek aan scholing niet langer veroorloven. Een elementaire pedagogische opleiding ook voor vrijwilligers is meer dan noodzakelijk net zoals een opleidingsconcept en een dito curriculum die zijn aangepast aan competitiesport voor kinderen en jongeren. In plaats van beginnende trainers bij de jeugd te plaatsen zou men een specifieke vorming en statuut ‘jeugdtrainer’ met aangepaste verloning moeten eisen.

De pedagogische paradox ligt hierin dat sport enerzijds aansluit bij de bewegingsbehoeften van jongeren en bij de opvoedingsinteresses van ouders, leerkrachten en vele jeugdtrainers, maar anderzijds ook meer en meer onder invloed komt van de hiermee in lijnrechte tegenspraak staande (egocentrische) waarden (geld, macht, invloed) en praktijken van de volwassenensport. Het wordt steeds duidelijker dat het sportaanbod voor jongeren hierdoor negatieve effecten genereert en de normale fysieke en sociale ontwikkeling bij heel wat jongeren wordt verstoord. Kinderen en jongeren gaan immers langzamerhand gedrag vertonen dat gebaseerd is op wat zij zien als de norm in de volwassenensport en van wat zij aanvoelen als verwachtingen van trainers en ouders, verwachtingen ten aanzien van het nemen van risico’s, het verdragen van pijn, de overdadige expressie van positieve en negatieve emoties, de aanvaardbaarheid van overtredingen, het ten koste van alles moeten winnen, het moeten scoren. Bij veel sportende kinderen veroorzaakt deze toestand duidelijk onbehagen, fysieke overbelasting en kwetsuren en geeft hij aanleiding tot gedragsproblemen, pesten, agressie en een gebrekkige moraal en fairplay.

Ons pleidooi voor een specifieke vorming en statuut ‘jeugdtrainer’ steunt op het onaanvaardbaar zijn van de ongelijke kwaliteitseisen voor de jeugdsport buiten en binnen de schoolcontext en houdt in dat de traditionele product- of resultaatgerichte benadering moet worden aangevuld met prioritaire procesgerichte bekommernissen in een bredere humaniserende context van veiligheid, gezondheid, sociale relaties en persoonsvorming.